API-antwoord: wat de aanroeper terugkrijgt
Staat een workflow achter een endpoint, dan bepaalt de stap API-antwoord wat de aanroeper terugkrijgt: de HTTP-status en de body, met gegevens uit de workflow. Zonder API-antwoord krijgt de aanroeper alles wat de workflow verzamelde. U bouwt het antwoord, publiceert de workflow als endpoint en roept hem aan zoals een afnemer dat doet.
Open Flow en maak een workflow
Klik in de portal bij Omgevingen op Ontwikkeling en daar op Openen; Flow opent in een nieuw tabblad. Klik daar op + naast Algemeen, kies Nieuwe workflow en geef hem een naam. Een nieuwe workflow begint met een Event trigger: het punt waar hij start.
Bouw het antwoord
Zet in de voorbeeldgegevens wat een aanroeper meestuurt. Voeg API-antwoord toe. Kies de HTTP-status: 201 betekent aangemaakt. In de body (Code) zet u wat de aanroeper terugkrijgt, met {{veld}} voor gegevens uit de aanvraag.
Zet de stappen op één lijn en sla op
Selecteer de stappen (klik de eerste, en de andere met Shift ingedrukt) en klik op Horizontaal uitlijnen: dan staan ze op één lijn en leest u de workflow van links naar rechts; een tak (zoals Nee van een If / Else) krijgt een eigen rij eronder. Passend maken zet alles in beeld; daarna Opslaan.
Publiceer de workflow als endpoint
Druk op Esc: zonder geselecteerde stap staan de Workflow-instellingen rechts. Onder Publiceer als endpoint kiest u een nieuwe API, met een naam; de methode POST past bij iets aanmaken. Klik op Publiceren: het endpoint opent.
Roep het endpoint aan
Rechts staat Proberen: dat roept de API aan zoals een afnemer, met een sleutel (hier afgedekt). Zet in de body wat de afnemer meestuurt en klik op Verstuur. U krijgt 201 terug, met precies de body uit API-antwoord.
Deze handleiding is op 22 okt 2026 stap voor stap uitgevoerd door een geautomatiseerde test op Flow (versie 3e563176).































