Een nieuwe versie van een API
Wat afnemers gebruiken, verandert u niet onder hun handen. Een nieuwe versie zet u naast de oude: dezelfde naam, versie v2 en een eigen basispad. Een endpoint van v2 kan de logica van v1 hergebruiken via een voorkant — één workflow hoort bij één endpoint, zodat de beveiliging van het ene nooit via het andere lekt. Zijn alle afnemers over, dan zet u v1 uit.
Maak versie v2 naast v1
Maak een nieuwe API met dezelfde naam, het basispad met /v2 en bij Versie v2. In de verkenner staan ze naast elkaar; afnemers van v1 merken niets.
Hergebruik de logica via een voorkant
+ Endpoint, GET en hetzelfde pad. Kies bij Workflow de workflow van v1: Flow meldt dat die al bij een ander endpoint hoort, en biedt een voorkant aan — een dunne workflow die de logica aanroept. Er wordt niets gekopieerd.
Zet v1 uit als iedereen over is
Ziet u in Live verkeer geen aanroepen meer op v1, open dan v1 en zet Ingeschakeld uit. Afnemers die toch nog v1 aanroepen, krijgen 503; v2 werkt gewoon door.
Deze handleiding is op 22 okt 2026 stap voor stap uitgevoerd door een geautomatiseerde test op Flow (versie 3e563176).























